Datum: 17-11-2006
Aantal keer bekeken: 4570
Het meest ontroerende hoofdstuk uit Onze Hersenen: over de smalle grens tussen normaal en abnormaal, is misschien wel het laatste hoofdstuk ‘Over Empathie’. Als iemand heel verliefd over zijn vriendin zegt “we zijn soul-mates”, is dat misschien wel voor een deel gebaseerd op een in de hersenen verankerde mogelijkheid tot empathie: het spiegelen van de hersenactiviteit van de ander. Dat is volgens Kahn een fascinerend biologisch fenomeen dat er voor zorg draagt dat we voelen wat de ander beweegt, voelen wat de ander ervaart door met de ander te versmelten, althans wat betreft deze speciale hersenactiviteit. Want bij de “echte romantische verliefdheid” (je weet wel, “die van de Viva en de bouquetreeks”), spelen o.a. de nucleus accumbens en dopamine een doorslaggevende rol.
Empathie
René Kahn, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Utrecht en afdelingshoofd psychiatrie in het UMCU, komt in zijn boek tot verrassende uitspraken en verhalen naar aanleiding van baanbrekend onderzoek van de laatste decennia naar activiteiten in de hersenen. De functies van de verschillende delen van de hersenen en de activiteiten in die gebiedjes zijn tegenwoordig zichtbaar te maken en te meten via o.a. Magnetic Resonance Imaging (MRI). Dat is een interessante techniek omdat hij kan worden toegepast op levende personen.
Terug naar het hoofdstuk over empathie. Uit onderzoek blijkt dat als je kijkt naar iemand die een beweging maakt, dit bij jou hetzelfde hersengebied activeert dat actief is als je zelf die beweging zou uitvoeren. Op het moment dat dit hersengebied bij jou actief is (omdat je naar de beweging kijkt) is op datzelfde ogenblik het identieke gebied actief bij de ander (omdat die de handeling tenslotte uitvoert). Je hersenactiviteit is op dat moment dus gelijk aan die van de ander. Anders gezegd, je hersenen kopiëren of spiegelen de hersenactiviteit van de ander. Een voorbeeld uit het dagelijks leven: als iemand naar je glimlacht, zal je de neiging hebben om terug te glimlachen. De ander strak aankijken, zonder te glimlachen, zal je bewúst moeten doen, vanzelf gaat het niet, omdat je hersenen je eigenlijk dwingen de ander na te doen. Het spiegelen in de hersenen vindt voortdurend plaats, zonder dat je het zelf merkt, maar het is een fundamenteel proces in je brein: het vormt de basis van ieder menselijk contact. Het doet zich al voor bij heel jonge kinderen.
Het imitatiegedrag van onze hersenen strekt verder dan het nadoen van bewegingen. Het identieke deel van de hersenen wordt ook geactiveerd bij het kijken naar en het ervaren van dezelfde emotie. Sterker nog, uit hersenonderzoek blijkt dat het niet noodzakelijk is dat de hersenen de gevoelens van de ander echt zien om ze te kunnen voelen. Het is mogelijk de droefenis van de ander te voelen zonder het treurige gelaat tegelijkertijd te zien, omdat je die emotie kent, je dat gevoel zelf (ooit) heb meegemaakt. Met andere woorden: onze hersenen kunnen spiegelen op basis van wat we ons kunnen voorstellen wat er in de ander omgaat. Dat is de biologische basis voor echte empathie: voelen wat de ander voelt door je in de ander te verplaatsen.
Helaas blijkt uit ervaring en hersenonderzoek dat er ook mensen zijn die niet goed tot empathie in staat zijn. Patiënten met autisme en het syndroom van asperger vertonen verminderde activiteit in het hersensysteem dat ervoor zorgt dat we bedoelingen aan bewegingen kunnen toekennen. Het gebied dat noodzakelijk is om de ander te beschouwen als een intentioneel wezen functioneert bij autisme onvoldoende. Autisten zien de ander niet als een persoon met een eigen wil maar als een object.
Consequenties voor therapie
De andere hoofdstukken in het boek gaan over de invloed van stress op onze hersenen, de aftakeling van het geheugen, de rol van dopamine en de accumbens bij verslaving en motivatie (tot het verkrijgen van voedsel, sex, een partner, geld, macht, aanzien), schizofrenie en de rol van bepaalde hersengebieden bij het maken van keuzen.
De vraag die we ons kunnen stellen is: wat zijn de consequenties van hersenonderzoek zoals dat door Kahn wordt beschreven voor de behandeling van patiënten? Misschien valt daar wat over te zeggen aan de hand van de recente geschiedenis over de behandeling van schizofrenie.
Omstreeks de zestiger jaren ontstond de hypothese dat schizofrenie niet veroorzaakt zou worden door afwijkingen in de hersenen, maar een ‘gezonde reactie’ was op een ‘zieke’ maatschappij. Anderen veronderstelden dat schizofrenie een gevolg zou zijn van een verkeerde interactie tussen moeder en kind. Dat ging in Nederland zover dat moeders hun kinderen niet in de psychiatrische kliniek mochten bezoeken, omdat ervan werd uitgegaan dat zij een ‘ziekmakende factor’ zouden zijn. Naar deze hypothese is overigens nooit onderzoek gedaan, laat staan dat er ondersteunend bewijs voor is gevonden. Denk eens aan het leed dat deze moeders is aangedaan. Toch leidde deze stroming tot een sterke weerstand tegen het doen van hersenonderzoek bij mensen met psychische stoornissen.
Waar maakte of maakt men zich eigenlijk druk om? Is het de angst voor een gemedicaliseerde hulpverlening waarin je voor elk psychisch wissewasje een pilletje kan krijgen? Maakt hersenonderzoek een niet-medische behandeling van patiënten in de toekomst overbodig? Nee, natuurlijk niet.
Stress
Neem nou stress in al zijn vormen. Je kan leren om daar via adequater gedrag, adequater denken en stabielere emoties beter mee om te gaan. Je kan leren allerlei vormen van fysieke stressmanagement toe te passen. Fitnesstraining is daar maar een simpel - niet psychotherapeutisch - voorbeeld van.
Daarnaast kunnen mensen - in psychotherapie - leren, om als totale persoon anders om te gaan met stressoren. Mensen zijn betekenisgevers. Ze kunnen op een ‘stressige’ manier met dingen omgaan. Het kan dan gaan om zaken die in het verleden zijn gebeurd (trauma’s), dingen die in het heden plaatsvinden of dingen waarvoor men vreest dat ze in de toekomst zullen plaatsvinden. Het kan ook gaan om depressies, of stoornissen in de persoonlijkheidsontwikkeling. Volgens Kahn helpt psychotherapie omdat daarbij het gebied vooronder in onze hersenen (net boven onze ogen) wordt geactiveerd. Psychotherapie leidt volgens hem tot angstreductie, omdat praten over de angst via het vooronder in de hersenen resulteert in verminderde activiteit in de amygdala, het orgaan in de hersenen dat gevaar registreert.
Frank Ooms,
Afdeling Psychotherapie Riagg Rijnmond
Terug
Onze hersenen. Over de smalle grens tussen normaal en abnormaal